Afdrukken E-mail

Virale enzootische ziekten

Voor wat betreft de virale enzootische ziekten is Infectieuze Boviene Rhinotracheitis (IBR) één van de economisch belangrijke ziektes voor de rundveehouderij in België. IBR wordt veroorzaakt door het Bovine Herpes Virus type 1 (BHV1). Hoewel de ziekte meestal subklinisch verloopt en het aantal uitbraken de laatste jaren daalt door een verhoogde immuniteitsstatus van de runderpopulatie , is deze subklinische vorm mede verantwoordelijk voor een productiedaling doordat de dieren vatbaarder worden voor andere pathogenen. Naast deze (on-)rechtstreekse economische verliezen voor de veehouder, zijn er ook nog de directe economische verliezen die IBR kan veroorzaken onder de vorm van invoerbeperkingen voor levend vee, sperma en producten van dierlijke oorsprong opgelegd door IBR-vrije landen. Omwille van de niet te verwaarlozen financiële gevolgen van IBR infecties voor de rundveesector werd enkele jaren geleden besloten tot het bestrijden van deze ziekte. Oorspronkelijk op vrijwillige basis maar vanaf 5 januari 2012 in een wettelijk verplicht kader, dienen al de bedrijven een gekend I-statuut (I2, I3 of I4) te hebben. Bedrijven met een ongekende gezondheidsstatus kunnen hun dieren nog enkel afvoeren naar het slachthuis; verkoop of weidebeloop zijn verboden.

Het I- statuut van een rundveebedrijf wordt bepaald op basis van twee opeenvolgende serologische balansen met een interval van minimum 4 en maximal 8 maanden tussen de twee bloednames. Deze serologischeNewsletter CODA-CERVA - enzootische ziekte onderzoeken worden uitgevoerd met een IBR gE-ELISA in het geval van ongekende status of I2 en I3 en met een IBR gB-ELISA om de serologisch negatieve I4-status te bevestigen. De sera worden onderzocht in de regionale laboratoria DGZ en ARSIA en op basis van de bekomen resultaten worden de statuten toegekend eveneens door DGZ en ARSIA onder toezicht van het FAVV.

De taak van het referentielaboratorium bestaat erin om, samen met het CDD-ERA ervoor te waken dat de kwaliteit van de gebruikte IBR ELISA's aan een aantal mimimale criteria qua sensitiviteit en specificiteit voldoen. Het is immers in het grootste belang van alle actoren in dit bestrijdingsprogramma dat de resultaten van de ELISA's reproduceerbaar en betrouwbaar zijn. Om positieve resultaten van de gB-ELISA te confirmeren beschikt het referentielaboratorium over andere testen zoals de seroneutralisatietest . Voor de gE-ELISA is dit tot op heden nog niet het geval maar worden alle mogelijke pistes onderzocht om een alternatieve bevestigingstest te ontwikkelen. In het verleden werden in het referentielabo monoclonale antilichamen ontwikkeld tegen de gE protein van BHV1 en hun gebruik in een alternatieve test wordt momenteel onderzocht.

Een andere taak van het referentielaboratorium bestaat uit het bevestigen van mogelijke IBR-uitbraken, daar klinische IBR aangifteplichtig is. In geval van een klinische verdenking dient de veehouder zo snel mogelijk een klinisch onderzoek te laten uitvoeren door zijn bedrijfdierenarts. Deze neemt de nodige stalen (swabs in geval van ademhalingsstoornissen, weefselmonsters bij verwerpingen) voor virologisch onderzoek en via een erkend laboratorium voor dierziektebestrijding worden de stalen aan het referentielaboratorium overgemaakt. Op deze monsters wordt dan via PCR de aanwezigheid van viral genoom aangetoond. Indien nodig kan het virus ook op celculturen geïsoleerd worden. De gebruikte PCR is gebaseerd op het aantonen van de aanwezigheid van genetisch material dat codeert voor de gB protein waardoor ook vaccin virus kan aangetoond worden. Een bijkomende PCR test gericht op het genetisch material van de gE protein kan eveneens uitgevoerd worden om te bevestigen of het onderzochte monster met wildtype virus besmet is of met vaccinvirus.