Afdrukken E-mail

Productie van multi-mycotoxine referentiematerialen: opportuniteiten en effecten

Image contam myco (200 x 150)
De besmetting van levensmiddelen voor mens en dier met mycotoxines is niet te vermijden. Graangewassen (tarwe, gerst, haver, rogge, maïs, rijst), specerijen, fruit en groenten zijn vaak gecontamineerd met mycotoxines die geproduceerd worden door talrijke soorten toxinogene schimmels, die ziekteverwekker of endofiet zijn van deze planten. De productie van mycotoxines is afhankelijk van omgevingsfactoren, zoals temperatuur, vochtigheid, mechanische verwonding, insecten, neerslag. Gezien de carcinogene, teratogene, oestrogene, hepatotoxische, immunotoxische en embryotoxische eigenschappen van mycotoxinen is het nodig hun al dan niet gelijktijdige aanwezigheid in levensmiddelen te controleren.

Daarnaast is er een groeiende belangstelling voor de rol van mycotoxinen als gezondheidsrisico op de werkplaats. Er werden immers mycotoxinen geïdentificeerd in verschillende beroepsomgevingen, zoals de productie van gevogelte, de opslag van landbouwproducten, de agrovoedingsverwerking, de productie van veevoeder. Dit toont aan dat naast voeding (voeders) inademing en huidcontact bijkomende blootstellingswegen kunnen vormen.

Bij de analyses ter controle op contaminatie met mycotoxinen wordt, naast de traditionele chromatografische technieken, steeds vaker gebruik gemaakt van massaspectrometrie. Zo wordt tegenwoordig vloeistofchromatografie in combinatie met een massaspectrometer (LC-MS en vooral LC-MS/MS) gebruikt om verscheidene mycotoxinen en bijbehorende metabolieten te kwantificeren. Om de nauwkeurigheid en de traceerbaarheid van de analyseresultaten te waarborgen, is het absoluut noodzakelijk deel te nemen aan ringtesten, dwz een meting van mycotoxines in een staal door meerdere laboratoria, waarvoor het gebruik van referentiematerialen vereist is. De meeste beschikbare materialen hebben betrekking op gereglementeerde mycotoxinen. Het aspect van meervoudige besmetting wordt vaak over het hoofd gezien. Zelfs het ERM®-BC717-materiaal dat onlangs werd bereid door het IRMM ‘Institute for Reference Materials and Measurements' van de Europese Commissie laat niet toe dit tekort aan te vullen, want het richt zich alleen op nivalenol en deoxynivalenol. Ondanks de recente oproep van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) tot het verzamelen van gegevens over het voorkomen van opkomende mycotoxinen (enniatines, beauvericine, enz ) in levensmiddelen voor mens en dier bestaan er geen referentiematerialen voor deze toxines.

Als nationaal referentielaboratorium voor mycotoxinen heeft CODA-CERVA een strategie ontwikkeld voor de productie van materialen die verscheidene gereglementeerde (aflatoxine B1, B2, G1, G2, deoxynivalenol, fumonisine B1, B2, HT2-toxine, ochratoxine A, T2-toxine, zearalenone) en niet-gereglementeerde mycotoxinen (beauvericine, fumonisine B3, enniatines A, A1, B en B1) combineert.

In samenwerking met de mycotheek van de Université catholique de Louvain werden Fusarium-, Aspergillus- en Penicillium-stammen geselecteerd en getest na incubatie op verschillende granen (maïs, tarwe, rijst) door LC-MS/MS analyse.
De geproduceerde materialen hebben het mogelijk gemaakt ringtesten (PT's) te starten op internationaal niveau om de concentratie van elk toxine te bepalen. Zo werden er PT's georganiseerd in 2011, 2012 en 2013 waaraan een vijftigtal nationale en internationale laboratoria deelnamen die zodoende de gelegenheid kregen om de nauwkeurigheid van hun multi-mycotoxine-analysemethoden na te gaan.
Poussins
Daarnaast maakt deze techniek het ook mogelijk om dierproeven uit te voeren ivm de overdracht van de toxines naar organen, vlees en eieren van gevogelte (MYCOTOXPLUIM-project in samenwerking met het ILVO ‘Institute for Agricultural and Fisheries Research'), bij biggen (in samenwerking met het ‘Institut national de recherche agronomique-INRA' van Toulouse), en om de werkzaamheid van binders voor mycotoxinen te testen bij ratten (MYCOBINDER-project). De productie van referentiematerialen bevorderde de externe wetenschappelijke samenwerking met andere instellingen zoals Realdyme (Frankrijk), Agrimex (België) en de Universite Catholique de Louvain via een bijdrage aan hun onderzoeksprogramma's zoals de werkzaamheid van binders voor mycotoxines, de mycotoxinogene profielen bij schimmels in maïsculturen in België (PATOCS-project) en China (BELSPO-China-project).

Het MYCOTOXPLUIM project toonde aan dat sommige Fusarium mycotoxines (enniatines en beauvericine) in geringe mate overgedragen worden naar eieren en producten zoals lever, vlees en huid. Deze overdracht vormt geen probleem voor de volksgezondheid en is van voorbijgaande aard (voor eieren, de 2e en 3e dag na de blootstelling en volledig geëlimineerd na 9 à 10 dagen, terwijl voor de andere producten de overdracht geëlimineerd is zodra het pluimvee opnieuw gevoederd wordt met niet-besmet voeder gedurende nog eens 14 dagen). Daarentegen werd er geen overdracht waargenomen van deoxynivalenol, zearalenon, en T2- en HT2-toxine.

Bij biggen heeft het gebruik van met ochratoxine A besmet materiaal het mogelijk gemaakt een overdracht van dit toxine van levensmiddelen op organen zoals de lever, nieren en spieren waar te nemen. Deze gelegenheid werd te baat genomen om met ochratoxine A gecontamineerd dierlijk PT-materiaal te produceren (in een grote hoeveelheid), een PT te organiseren op internationale schaal en de in vivo transformatie van ochratoxine A te bestuderen.

Contactpersonen bij het CODA voor dit onderwerp